Voor wie is het bedoeld: havo 5, vwo 5-6
Niveau: niveau 2
Hoe lang duurt het: 5 x 1,5 tot 2 uur
Wat heb je nodig: Een leeg word-document, een goed werkende internetverbinding en eventueel oortjes of een koptelefoon.

Hoe werkt het?

Welkom bij deze verkenning! Lees de informatie op deze pagina rustig door voordat je start met de verkenning. Wat weet jij over het Nederlands als tweede taal (NT2)? In deze verkenning maak je kennis met tweedetaalverwerving en een belangrijke factor die hier van invloed op is: de moedertaal.

Wat ga je leren?
Deze verkenning over het Nederlands als tweede taal is onderdeel van PlusNederlands Lab. In vijf stappen verken je een deel van het onderzoeksgebied van de taalkunde dat zich bezighoudt met tweedetaalverwerving. Je maakt kennis met de rol van moedertalen in de tweedetaalverwerving, je leert het verschil met moedertaalverwerving en je duikt in de wereld van de contrastieve taalkunde waarin talen met elkaar vergeleken worden. Je werkt toe naar een praktisch eindproduct in de vorm van een adviestekst voor NT2-docenten. Na het afronden van deze verkenning ben je op de hoogte van theorieën rondom tweedetaalverwerving, de eventuele problemen die zich hierin voor kunnen doen en welke oplossingen daarvoor geboden kunnen worden.

Wat moet je doen?
In elke stap van deze verkenning staat een ander onderwerp centraal. In Stap 1 wordt het onderwerp Nederlands als tweede taal toegelicht en maak je kennis met sprekers van het Nederlands als tweede taal. In de Stap 2 leer je meer over de verschillen en overeenkomsten tussen talen. In Stap 3 ontdek je de verschillen tussen het verwerven en leren van een eerste taal ten opzichte van een tweede taal. Stap 4 gaat over Duolingo: een tool die kan worden ingezet voor het leren van een taal en over een vorm van toetsing: het Staatsexamen Nederlands als tweede taal. Uiteindelijk kan je alle kennis die je hebt opgedaan toepassen in de eindopdracht in Stap 5: het schrijven van een adviestekst aan NT2-docenten. Elke stap bevat bijbehorende opdrachten die je kan maken door het raadplegen van de theorie die aangeboden wordt, de websites die als links toegevoegd zijn en de filmpjes die erbij staan. Alle uitwerkingen van de opdrachten noteer je in een Word-document. Deel je document in aan de hand van de opdrachten. Werk bijvoorbeeld met aparte subtitels en alinea’s voor de verschillende taken en voorzie die van het opdrachtnummer. Uiteindelijk voeg je alle opdrachten samen in één portfolio, dat ook het eindproduct van deze verkenning bevat. Het portfolio lever je in bij je docent Nederlands.

Is er ondersteuning?
In elke stap worden voldoende theorie en handvatten gegeven om de bijbehorende opdrachten te maken. Na het doorlopen van een stap kun je op ‘volgende’ klikken om door te gaan of op ‘vorige’ om nog eens terug te kijken naar wat eerder aan bod kwam. Materiaal dat je al hebt geraadpleegd blijft beschikbaar voor herlezing en natuurlijk kun je ook jouw eerder uitgewerkte opdrachten gebruiken in de stappen die volgen. In de opdrachten zelf vind je telkens tips en links die je op weg helpen. De opdrachten bieden je handvatten om je te helpen. Je hoeft de documenten natuurlijk niet verplicht te gebruiken, maar als je ergens niet helemaal zelfstandig uitkomt en graag extra ondersteuning wilt, dan zijn ze gemakkelijk te raadplegen.

Aan de slag!
Zodra je op de button hieronder klikt, kom je terecht in Stap 1. PlusNederlands Lab wenst je veel plezier en succes!

Wie maakte dit?
Deze Verkenning is gebaseerd op resultaten van studenten die in 2020 deelnamen aan een Masterlanguage cursus van de Universiteit Leiden en Utrecht: Marjolein Wilschut, Pieter Boeschoten, Stef Bernhards en Veena Houdijk . Hun docenten waren Sjef Barbiers en Marjo van Koppen.

Ga naar stap 1

Stap 1: Inleiding in de NT2-situatie in Nederland

Nederlands als tweede taal
Waarschijnlijk hebben jij en de mensen om je heen het Nederlands geleerd als eerste taal. Dit wordt ook wel je moedertaal genoemd. De moedertaalverwerving van een kind start op het gebied van het leren herkennen van toonhoogtes in de baarmoeder. Na de geboorte gaat de taalontwikkeling verder op alle taalgebieden, zoals de ontwikkeling van de uitspraak en zinsbouw. De verwerving van de moedertaal gaat onbewust en verloopt vaak in verschillende fasen. Over het algemeen bezit een kind van vijf jaar de basiskennis van de moedertaal. Het leren van een tweede taal verloopt vaak anders. Het merendeel van de tweedetaalleerders is volwassen. Als volwassene heb je de nodige kennis van je moedertaal opgedaan, en afhankelijk van de gelijkenissen en verschillen tussen de moedertaal (T1) en de tweede taal (T2), gaat de tweedetaalverwerving sneller of langzamer dan gemiddeld. Dit tempoverschil in taalverwerving is natuurlijk van veel meer factoren afhankelijk. Mensen die in hun land van herkomst weinig scholing genoten hebben, waardoor zij het lezen en schrijven op slechts zeer laag niveau beheersen (laaggeletterdheid), zullen tegen meer problemen aanlopen bij het leren van een tweede taal dan mensen die geletterd zijn.

Het onderwerp van deze module is NT2, wat staat voor het Nederlands als tweede taal. Deze module gaat dus over het verwerven van het Nederlands nadat de eerste taal, de moedertaal, al verworven is. Het hoeft overigens niet noodzakelijkerwijs te gaan over de tweede taal die geleerd wordt. Tweede taal heeft betrekking op elke verwerving buiten de moedertaal om. Met andere woorden, we spreken ook bij het verwerven van het Nederlands als de derde, vierde of vijfde taal nog altijd van een NT2’er.

Het is belangrijk om te weten dat tweedetaalverwerving niet hetzelfde is als vreemdetaalverwerving. Een tweede taal leer je spreken in de omgeving waar de taal als moedertaal wordt gesproken. Een migrant die Nederlands leert in Nederland, leert het Nederlands dus als tweede taal. Dit is niet hetzelfde als het leren van een taal als vreemde taal. Dit houdt namelijk in dat je deze taal niet hoort in je directe omgeving. Denk maar aan het leren van Frans op de middelbare school: je leert deze taal op school, terwijl je het in het dagelijks leven niet om je heen hoort. Je leert het Frans dus als vreemde taal.

Tweedetaalverwervers
Er zijn verschillende redenen voor mensen om een tweede taal te leren. Door emigratie word je hiertoe in de meeste gevallen verplicht. Het kan zijn dat je gaat studeren of werken in een ander land of dat je vertrekt voor de liefde. Ook gedwongen vertrek komt voor, bijvoorbeeld door oorlogen en instabiele politieke situaties waardoor men asiel moet aanvragen in een ander land. Er verhuizen gemiddeld 96.000 mensen per jaar naar Nederland om de hierboven genoemde redenen. Het varieert uit welk land van herkomst de migranten komen. Wat betreft asielzoekers hangt dat samen met de situatie in de wereld. Veruit het grootste deel van de vluchtelingen is afkomstig uit Syrië (14%), vanwege de nog altijd voortdurende oorlog in het land. Hierna volgen Nigeria (9%) en Iran (7%), mogelijk omdat er sprake is van een instabiele politieke situatie in deze landen. Ook komen er veel asielzoekers uit Eritrea, Irak en Marokko.

Andere redenen om naar Nederland te komen zijn het Nederlandse onderwijs, dat hoog aangeschreven staat, en de relatief stabiele banenmarkt. We hebben om deze redenen ook migranten uit buurlanden of andere nabije landen mogen verwelkomen: er wonen in Nederland bijna 150.000 mensen met het Pools als moedertaal, ca. 75.000 met Duits als moedertaal en ongeveer 70.000 mensen met het Turks als moedertaal. Ook de Chinese gemeenschap mag niet vergeten worden: zij zijn goed voor ruim 35.000 inwoners. Vluchteling, arbeider of student, allemaal hopen ze op een mooie toekomst in ons koude kikkerlandje.

Inburgering
Op het moment dat je als migrant een verblijfsvergunning toegewezen krijgt, is het mogelijk dat je verplicht wordt tot inburgering. De Rijksoverheid geeft aan dat niet alle nieuwkomers hiertoe verplicht zijn. Minderjarigen, 65-plussers en migranten die een EU-paspoort hebben hoeven niet in te burgeren (ook Turkije valt hier nu onder). Wanneer je wel gaat inburgeren, dan kun je klassikaal een cursus gaan volgen of een thuisstudie doen. In beide gevallen moet je vervolgens examen doen in de vaardigheden lezen, luisteren, schrijven en spreken van het Nederlands. Vaardig zijn in de taal van het land wordt als cruciaal ervaren wanneer je er komt te wonen. Dit vergroot ook de kans op een studie of een baan.

Verschillende moedertalen
Iedereen die naar Nederland emigreert en hier het Nederlands leert, is een NT2’er. Wat het tweedetaalonderwijs moeilijk maakt, is het feit dat iedere NT2-leerder een andere achtergrond heeft qua cultuur, taalbeheersing en scholing. Deze factoren kunnen allemaal van invloed zijn in het land van aankomst waar een nieuwe taal moet worden verworven. Daarnaast kunnen NT2-leerders allemaal verschillende moedertalen hebben. Het is aannemelijk om te stellen dat dit van invloed is op het succes van de tweedetaalverwerving. Op het moment dat jij het Duits of Engels beheerst, is het makkelijker om je eigen weg te vinden in het Nederlands dan in een situatie waarin jij alleen het Mandarijn (gesproken in de noordelijke helft van China) of het Russisch beheerst. Op het eerste oog lijken die laatste talen namelijk helemaal niet op het Nederlands. Iedereen heeft dus een andere start bij het leren van een tweede taal en het is handig om op die verschillen in te spelen in het NT2-onderwijs.

Opdrachten

1.1: Verschillen tussen NT2’ers
In de volgende stappen van deze verkenning worden de onderwerpen die hierboven zijn aangestipt nader toegelicht. Om je bekend te maken met leerders van het Nederlands als tweede taal, komen in de onderstaande fragmenten vier verschillende NT2’ers aan het woord. Sommigen daarvan zijn pas kort geleden in Nederland gekomen, terwijl anderen hier al jaren wonen en werken. De één is gevlucht, terwijl de ander vrijwillig is gekomen. De verschillende moedertalen oefenen allemaal een eigen soort invloed uit op het Nederlands van de sprekers. Mede hierom is het interessant om dit eens nader te bekijken. Let op: er staat steeds hieronder aangegeven welk deel van het fragment je moet luisteren. Volg de links en beantwoord bij elk fragment de volgende vraag:

Wat valt je op aan het Nederlands van deze NT2’er? Denk bijvoorbeeld aan de uitspraak, woordkeuze, woordvolgorde, lidwoorden en vervoegingen.

Fragment 1: NT2’er Chinees-Nederlands – Luister: 0:45-3:14.

Fragment 2: NT2’er Frans-Nederlands – Luister: hele fragment.

Fragment 3: NT2’er Syrisch-Nederlands – Luister: 0:43-3:06.

Fragment 4: NT2’er Russisch-Nederlands – Luister: hele fragment.

In Stap 1 heb je kennisgemaakt met het onderwerp Nederlands als tweede taal (NT2), de NT2-situatie in Nederland en de factor moedertaal in het tweedetaalonderwijs. In Stap 2 gaan we kijken naar de verschillen en overeenkomsten die talen kunnen hebben.

Meer lezen?

Wil je meer lezen over de verschillen tussen het leren van een eerste en een tweede taal? Lees dit artikel.

Stap 2: Verschillen en overeenkomsten tussen talen

Talen en taalfamilies
Hoeveel talen bestaan er op de wereld? Als je dit googelt kom je niet op één getal uit. Dat is ook onmogelijk, aangezien niet iedereen dezelfde opvattingen heeft over talen. Want wanneer noem je iets een taal en wanneer is iets een dialect? En tel je alleen levende talen mee of ook de zogeheten ‘dode talen’ die niet meer als moedertaal worden verworven?

Verschillen tussen talen
Talen kunnen verschillen vertonen op allerlei niveaus, zoals in het klanksysteem, de woord- en zinsstructuur, de woordenschat (het lexicon) en het gebruik van de taal (pragmatiek). Op het moment dat jij een nieuwe taal leert, loop je tegen deze verschillen aan. Zo is het voor jou misschien niet zo eenvoudig om de ‘th’-klank in het Engels goed uit te spreken. In het Nederlands gebruiken we die klank immers niet!

Voor mensen die Nederlands leren kan het moeilijk zijn om het verschil tussen de klank ‘o’ en ‘oo’ te maken (bom – boom). Gewoon de ‘o’ langer maken, zoals je misschien op de basisschool geleerd hebt, is niet genoeg. Je kan namelijk prima de ‘o’-klank in bom uitrekken, zonder dat je het ineens over een boom hebt. Probeer maar eens.

Ook kunnen talen bijvoorbeeld verschillen in de woordvolgorde die ze hebben. Het Nederlands heeft in de hoofdzin de woordvolgorde onderwerp-persoonsvorm-lijdend voorwerp. Door de plek in de zin weten we wat het onderwerp is en wat het lijdend voorwerp. Zo is het in de neutrale zin Taro ziet de hond duidelijk dat Taro degene is die ziet, en de hond gezien wordt.

In het Russisch is de woordvolgorde veel vrijer. Door naamvallen kun je aan het woord zien wat de functie is in de zin. De uitgang -а geeft vaak aan dat het woord nominatief en dus onderwerp is. De uitgang -у (spreek uit als -oe) geeft dan aan dat het accusatief en dus het lijdend voorwerp is. De woordvolgorde maakt dan niet meer uit. Zo betekenen zin 1a en 1b allebei Sasja ziet de hond. Zinnen 2a en 2b betekenen allebei: ‘De hond ziet Sasja‘.

1a Саша видит собаку
(Sasja) (ziet) (hond)
ow pv lv
Sasja ziet de hond.

1b Собаку видит Саша
(hond) (ziet) (Sasja)
lv pv ow
Sasja ziet de hond.

2a Собака видит Сашу
(hond) (ziet) (Sasja)
ow ov lv
De hond ziet Sasja.

2b Сашу видит собака
(Sasja) (ziet) (hond)
lv pv ow
De hond ziet Sasja.

Overeenkomsten tussen talen
Hierboven zijn enkele verschillen tussen talen benoemd. Maar er zijn ook overeenkomsten tussen talen te vinden. Sommige eigenschappen zijn namelijk universeel. Zo kunnen alle talen ontkennende zinnen maken en hebben alle talen zelfstandige naamwoorden en werkwoorden. Een overeenkomst tussen alle gesproken talen is dat ze spraakklanken (klinkers en medeklinkers) bevatten. Hierbij is het belangrijk om te noemen dat het om gesproken talen gaat, want dit geldt niet voor gebarentalen (ook wel visueel-manule talen genoemd). Echter, gesproken talen en gebarentalen hebben dan weer met elkaar gemeen dat de betekenis uitgedrukt wordt door het verbinden van predikaten (zoals zien, lopen of slaan) met één of meer argumenten (zoals Jan, jij, de buurman of elkaar). Daarnaast zijn er ook andere eigenschappen die alleen in bepaalde talen overeenkomen.

Overeenkomsten kunnen het gevolg zijn van genetisch verwantschap. Dit betekent dat verschillende talen zijn ontstaan vanuit dezelfde vooroudertaal, zoals te zien is in de stamboom die hieronder wordt getoond. Het Nederlands en het Duits komen voor uit het Indo-Europees, het Germaans en het Westgermaans. Taalkundige overeenkomsten tussen het Nederlands en het Duits zijn hier een gevolg van. Zo zijn er bijvoorbeeld op woordniveau vergelijkbare klanken te ontdekken in de volgende woorden:

Nederlands: huis, vijf, blauw, denken

Duits: Haus, fünf, blau, denken

Stamboom van Indo-Europese talen. (Afkomstig uit Kerstens, Ruys, Trommelen & Weerman, 1997)

Een andere oorzaak voor overeenkomsten tussen talen is taalcontact. Dit is niet hetzelfde als genetische verwantschap. Taalcontact ontstaat als sprekers van de ene taal in contact komen met sprekers van de andere taal. Als dit contact intensief is, kan het voorkomen dat er taalmateriaal, zoals woorden of zinsconstructies, van de ene taal in de andere taal overgenomen worden. Naast genetische verwantschap en taalcontact kan toeval ook een oorzaak van overeenkomsten tussen talen zijn.

Opdrachten

2.1: Onbegrijpelijke grapjes
Man bijt hond is een journalistiek woordgrapje: ‘Hond bijt man’ is geen nieuws, het gebeurt zo vaak. ‘Man bijt hond’ is wel nieuws, want het gebeurt nooit. Leg uit waarom een moedertaalspreker van het Russisch die Nederlands leert moeite zal hebben dit grapje te begrijpen.

2.2: Vergelijk zelf talen
Zoek eens op internet naar een voor jou onbekende taal. Kijk bijvoorbeeld eens hier op Wikipedia. Verzamel nu informatie van de onderstaande punten over jouw gekozen taal én het Nederlands. Maak vervolgens een vergelijking tussen deze taal en het Nederlands: welke verschillen en overeenkomsten merk je op?

Zoek informatie op over:
a. Waar de taal gesproken wordt.
b. Hoeveel sprekers de taal heeft.
c. Welke status de taal heeft in het land/de landen waar deze gesproken wordt.
d. Wat het ‘uitstervingsniveau’ van de taal is: uitgestorven, bedreigd of helemaal niet?
e. Welk schrift de taal heeft.

Naast Wikipedia zijn er ook wetenschappelijke bronnen waar veel talen gedocumenteerd zijn. Kijk bijvoorbeeld eens op:
Ethnologue:
Glottolog:  → kijk onder het kopje ‘name’. Door op de taal te klikken, kun je meer informatie vinden over bijvoorbeeld waar de taal gesproken wordt en in hoeverre de taal wordt bedreigd.
– WALS, World Atlas of Language Structures:  → kijk onder het kopje ‘name’. Onder het kopje ‘countries’ kun je zien in welke landen de taal gesproken wordt. Door de op de taal te klikken, kun je meer informatie vinden.

Gebruik bij deze websites steeds de Engelse naam van de taal.

2.3: Vergelijk voor jou bekende talen
Kies voor deze opdracht een taal waar je al iets meer over weet: het Engels, Duits, Frans of Spaans. Of misschien heb je zelf (nog) een andere moedertaal, dan kan je die taal ook kiezen voor deze opdracht. Bekijk de taalkundige kenmerken hieronder. Zoek voor elk kenmerk uit hoe dit eruit ziet in de door jou gekozen taal. Bekijk ook of er op dit punt een verschil of overeenkomst is tussen de taal die je gekozen hebt en het Nederlands.

a. Hoe verschilt het gebruik van de lidwoorden met het Nederlands?
Congrueert het lidwoord met het zelfstandig naamwoord? En zo ja, met welke kenmerken van het zelfstandig naamwoord? (geslacht, getal, naamval)

b. Hoe verschilt het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord met het Nederlands?
Staat het bijvoeglijk naamwoord voor of achter het zelfstandig naamwoord?
Congrueert het bijvoeglijk naamwoord met het zelfstandig naamwoord? En zo ja, met welke kenmerken van het zelfstandig naamwoord? (geslacht, getal, naamval)

c. Hoe verschilt de woordvolgorde met het Nederlands?
Wat is de woordvolgorde in de hoofdzin? Wat is de woordvolgorde in de bijzin?

d. Hoe verschillen vraagzinnen met het Nederlands?
Hoe worden ja/nee-vraagzinnen gevormd? (–> Een vraagzin zonder vraagwoord. Voorbeeld: Eet de jongen een appel?)

e. Hoe verschilt het vormen van ontkennende zinnen met het Nederlands?
Op welke plek in de zin staat het ontkennende element?

In stap 2 heb je gezien dat er verschillen en overeenkomsten kunnen zijn tussen talen. In stap 3 ga je kijken naar hoe deze verschillen en overeenkomsten van invloed zijn op het leren van een tweede taal. Ook leer je meer over het verschil tussen hoe kinderen en volwassenen een taal leren.

Meer lezen?

Leer de geheimen om de “th” uit te spreken als een echte Engelse!

Vind je het interessant om meer te leren over waar het Nederlands vandaan komt? Bekijk dan dit filmpje.

Stap 3: De invloed van de moedertaal op het leren van een tweede taal

Verwerven of leren?
Er is een verschil in hoe je je moedertaal leert als baby en hoe je talen leert na je kindertijd. Baby’s leren een taal op ‘de automatische piloot’. Als er tegen de baby gepraat wordt, pikt deze de grammaticaregels van de taal onbewust op en maakt zich de taal eigen. Dit wordt ook wel ongestuurde taalverwerving genoemd. Kinderen krijgen impliciete kennis van hun moedertaal. Dat wil zeggen dat ze intuïtief weten wat grammaticale zinnen zijn in de taal, maar de regel niet kunnen noemen. Iedere moedertaalspreker van het Nederlands weet bijvoorbeeld dat ‘Welke auto heb jij gekocht?’ een grammaticale zin is, maar ‘Welke heb jij auto gekocht?’ niet. De periode waarin een kind de taal onbewust kan verwerven, wordt ook wel de kritieke of sensitieve periode genoemd. Als deze periode voorbij is, na de kindertijd, dan kun je niet meer een taal leren op de ‘automatische piloot’. Als je op volwassen leeftijd dus een tweede taal gaat leren, heb je daar onderwijs of lesmateriaal voor nodig. Dit wordt ook wel gestuurd leren genoemd. Volwassenen leren de taal door de grammaticaregels bewust te leren. Er wordt zo bewuste, expliciete kennis van de taal verkregen. Er is dus een verschil in het verwerven van een taal als baby of het leren van een taal als volwassene.

Rol van de moedertaal
Bij het leren van een tweede taal op volwassen leeftijd heeft de moedertaal grote invloed. Volgens de interferentiehypothese (ook wel transferhypothese genoemd) gebruik je bij het leren van je tweede taal de eigenschappen van je eerste taal. Er is dus sprake van transfer: de kenmerken van de ene taal worden overgenomen in de andere taal. Wanneer de eerste en tweede taal een gemeenschappelijk kenmerk hebben, dan is het makkelijk om dit te leren in de tweede taal. Dit wordt ook wel positieve transfer genoemd. In het Nederlands en Duits staat bijvoorbeeld het bijvoeglijk naamwoord altijd vóór het zelfstandig naamwoord. Zo staat het bijvoeglijk naamwoord ‘favoriete’ altijd voor het zelfstandig naamwoord ‘boek’: ‘het favoriete boek’.

Dit is voor mensen met het Nederlands als moedertaal makkelijk om in het Duits te leren. Wanneer er juist een verschil is in eigenschappen tussen een taal, is dit moeilijk om in de tweede taal te leren en kan er negatieve transfer optreden: er worden veel fouten mee gemaakt. In het Frans komen bijvoorbeeld de meeste bijvoeglijk naamwoorden achter het zelfstandig naamwoord in plaats van ervoor zoals in het Nederlands. Het bijvoeglijk naamwoord ‘favorite’ staat juist achter het zelfstandig naamwoord ‘livre’: ‘le livre favorite’. Hier worden dan ook meer fouten in gemaakt door Nederlandse moedertaalsprekers.

Uitkomst van het leerproces
Doordat volwassenen een tweede taal niet meer als vanzelf verwerven, moeten ze actief aan de slag om de taal te gaan beheersen. Ondanks de moeite die leerders in hun leerproces steken, lijkt het leren van de taal op een gegeven moment niet meer vooruit te gaan, ook wel fossilisatie of stagnatie genoemd. De uitkomst van het tweede taalleerproces, oftewel het niveau dat je kunt behalen in een tweede taal, wordt beïnvloed door verschillende factoren. Deze factoren zijn in te delen in vier categorieën.

Als eerste de achtergrondfactoren. Hieronder vallen bijvoorbeeld blootstelling aan de tweede taal, de eerste taalachtergrond en geletterdheid. Zo kunnen geletterden visuele hulpmiddelen inzetten bij het leren van de taal, wat hun een voordeel geeft vergeleken met ongeletterden. De tweede categorie omvat cognitieve factoren. Eerder werd de kritieke of sensitieve periode al genoemd. Ook goed kunnen ‘leren’, waarbij de intelligentie vaak een rol speelt, geeft een voordeel bij het leren van de tweede taal. Daarnaast kan het inzetten van een passende cognitieve leerstijl bijdragen aan het leren van de taal. Een cognitieve leerstijl is de voorkeur die je hebt om informatie tot je te nemen en te verwerken. De ene leerder leert bijvoorbeeld het beste door regels te leren en die vervolgens toe te passen (deductief), de andere leerder leert het beste door veel teksten te lezen en daar de structuren van de taal uit af te leiden (inductief). Ook socio-affectieve factoren spelen een rol. Leerders die erg gemotiveerd zijn, zullen eerder een hoger taalniveau bereiken. Ook culturele aspecten kunnen een rol spelen: als het lesmateriaal aansluit bij je cultuur en dus achtergrondkennis van de wereld, begrijp je de les beter. Tenslotte zijn ook sociale omgevingsfactoren belangrijk. Een belangrijke factor is het soort en de mate van taalcontact met de tweede taal. Hoe meer je met de taal in aanraking komt, des te beter dit is voor je taalontwikkeling. Ook het krijgen van onderwijs in de tweede taal kan bijdragen aan een betere taalbeheersing.

In de tekst heb je gelezen dat er als gevolg van overeenkomsten verschillen tussen talen transfer, positief of negatief, kan optreden van de moedertaal naar de tweede taal. In de komende opdracht ga je kijken hoe dat eruit ziet in de taal van NT2-sprekers.

Opdrachten

3.1: NT2-spreker met de moedertaal Mandarijn-Chinees

Bekijk de zinnen in tekst 1, uitgesproken door een NT2-spreker met het Mandarijn-Chinees als moedertaal. Het Mandarijn-Chinees kent geen werkwoordcongruentie, dus werkwoorden worden niet vervoegd zoals in het Nederlands (ik werk, jij werkt, wij werken). In plaats daarvan wordt altijd het hele werkwoord gebruikt. Ook kent het Mandarijn-Chinees geen werkwoordstijden zoals in het Nederlands.

a. Noteer wat je opvalt in het gebruik van werkwoorden.

b. Kun je het gebruik van werkwoorden verklaren door de verschillen die het Mandarijn-Chinees en het Nederlands hebben? Leg uit in je eigen woorden.

Tekst 1

* En plotseling viel groot sneeuwvlok uit de lucht.

* En we kijken echt verbaasd aan die wit draaiende bloemen langs me viel op de grond.

* Want voor ons ehm onze steden had bijna geen winter.

* Dus het sneeuw is echt zo heel bijzonder.

* En we ging echt eh opeens eh hinkelen, dansen en zingen, zo blij waren we.

* En toen we thuis waren was de vl de gronde en de dak allemaal wit.

* En wij waren twee sneeuwpoppetjes geworden.

 

3.2: NT2-spreker met de moedertaal Syrisch-Arabisch
Bekijk de zinnen van tekst 2, uitgesproken door een NT2-spreker met het Syrisch-Arabisch als moedertaal.

a. Noteer wat je opvalt in het gebruik van lidwoorden (de/het/een). Daarbij hoort ook het weglaten van lidwoorden waar dat ongrammaticaal is.

b. Kun je het gebruik van lidwoorden verklaren door de verschillen die het Syrisch-Arabisch en het Nederlands hebben? Leg uit in je eigen woorden. Gebruik de website Moedint2 om informatie te vinden over lidwoorden in het Syrisch-Arabisch.

Tekst 2

* De reden voor dat daar als je tandarts wordt betekent je gaat trouwen met de mooiste meisje.

* Gewoon, weet ik niet, iedereen wil met arts of tandarts dus ik dacht oké tandarts leuk we gaan tandheelkunde doen.

* Bijvoorbeeld ik wilde mij vriendin naar mij toekomen maar ik woon op eerste verdieping met vier appartementen.

* Maar ik dacht oké het gaat door want toen ik klein was ik had documentaire gezien over de tweede wereldoorlog.

* Maar ik zag ook op documentair mensen gingen ook feesten na het oorlog.

 

3.3: Leren door volwassenen
Sterre Leufkens legt in dit filmpje uit dat uit taalkundig onderzoek naar voren komt dat twee factoren het leren van een tweede taal voor volwassenen moeilijk maken: 1. Een groot verschil in eigenschappen tussen de moedertaal en de tweede taal. 2. Het leren van ‘rijtjes’ (minuut 1.30-2.43). Leg voor beide factoren in je eigen woorden uit waarom dit voor volwassenen moeilijk is.

 

3.4: ondoorzichtige eigenschappen van de taal

Sterre Leufkens heeft onderzoek gedaan naar ondoorzichtige eigenschappen van talen. Sterre noemt dit de ‘mannentepels’ van de taal: “Ze zijn er wel, maar wat je eraan hebt is een raadsel” (minuut 8.15). Ze geeft hiervan twee voorbeelden uit het Nederlands, wat een relatief ondoorzichtige taal is: de- en het-woorden, en sterke werkwoorden (minuut 5.22-8.09). Bedenk of zoek zelf nog een ondoorzichtige eigenschap van het Nederlands, en leg uit waarom dit een ondoorzichtige eigenschap is.

In Stap 3 heb je meer geleerd over het verschil tussen het verwerven van een taal op jonge leeftijd en het leren van een taal op volwassen leeftijd. Ook heb je gezien dat bij het leren van een taal op volwassen leeftijd de moedertaal kan zorgen voor transfer van talige kenmerken naar de tweede taal. In Stap 4 gaan we een meer praktische kant van NT2 bekijken. Je gaat daarbij twee soorten hulpmiddelen analyseren en evalueren.

Meer lezen?

Wil je meer weten over hoe een kind de moedertaal leert? Bekijk dan dit filmpje.

Stap 4: Tools en toetsing

App Duolingo en Staatsexamen Nederlands als tweede taal
In de voorgaande stappen heb je kennisgemaakt met verschillende aspecten van taal die invloed hebben op het leren van het Nederlands als tweede taal. In deze stap gaan we een tool en een toets bekijken, waarmee een NT2’er daadwerkelijk stappen kan zetten in het verwerven van het Nederlands. Om het Nederlands zelf thuis te oefenen, zijn verschillende tools beschikbaar, waarvan er hieronder één toegelicht zal worden. Vervolgens bespreken we een manier waarop het Nederlands van een NT2’er getoetst kan worden, waarbij hij of zij na een succesvolle afronding een erkend diploma ontvangt: het Staatsexamen Nederlands als tweede taal.

Duolingo
Allereerst bekijken we een tool die wereldwijd veelvuldig wordt gebruikt om een tweede taal te leren: Duolingo. Duolingo was oorspronkelijk een platform voor het vertalen van teksten. De tool had een dubbele werking: de teksten waren in een spelvorm gegoten, waardoor je als gebruiker steeds een nieuw level kon vrijspelen. Terwijl je aan het ‘spelen’ was, hielp je daarmee tegelijkertijd websites en bedrijven om hun documenten te vertalen. De vertalingen konden daarna weer door andere gebruikers beoordeeld worden, voor een optimaal resultaat. In 2012 werd Duolingo beschikbaar gesteld voor het grote publiek. Inmiddels zijn er al meer dan 80 verschillende taalparen gemaakt. De meeste talen leer je vanuit het Engels.

Je gaat in de onderstaande opdracht proberen een oordeel te geven over Duolingo in het algemeen en de voor- en nadelen van deze tool te beschrijven. Download de app of ga naar www.duolingo.com voor de webversie. Start twee cursussen: een cursus van een voor jou onbekende taal én de cursus Nederlands. Schenk een lekker kopje thee voor jezelf in en ga op verkenning door de app. Bekijk welke hulpmiddelen geboden worden en maak een paar opdrachten uit verschillende lessen. Open ook de discussiefora door te klikken op ‘discuss’. Zorg dat je minstens 5 fora gezien hebt over een Nederlandse taalkwestie. Besteed aan de verkenning van beide cursussen 10 tot 15 minuten per cursus.

Tip: speel lessen vrij door checkpoints te halen. Gebruik een (digitaal) woordenboek als bepaalde Engelse termen niet duidelijk zijn. Het is belangrijk dat je de app als geheel evalueert, dus houd in gedachten dat je doel niet is om je Engels te verbeteren.

Opdrachten

4.1 Duolingo
Beantwoord de volgende vragen over Duolingo:

  • Hoe is de gebruikerservaring van Duolingo? Benoem de onderwerpen die aan bod komen in de opdrachten die jij tegen bent gekomen. Hoe zitten de opdrachten in elkaar?
  • Welke vaardigheden op het gebied van het Nederlands train je met Duolingo het meest? Hoe verklaar je dat? Welke taalproblemen verwacht je bij iemand die voor het eerst echt Nederlands gaat spreken, nadat hij Duolingo voor Nederlands heeft afgerond?
  • Hoe wordt er feedback gegeven? En hoe helpt de feedback om niet steeds dezelfde fout te maken?
  • Hoe verschilt de methode van Duolingo van de manier waarop jij een taal (bijvoorbeeld Frans of Duits) leert op school? Kan je deze verschillen verklaren?
  • Kan je bij Duolingo spreken over het verwerven van een taal of het leren van een taal? Leg je antwoord uit. Gebruik hiervoor de begrippen uit Stap 2.
  • Denk je dat je op een goede manier het Nederlands als tweede taal kan leren met deze app?
  • Hoe gaat Duolingo om met de moedertaal van de toolgebruikers?

 

4.2 Staatsexamen Nederlands als tweede taal
Wanneer je als NT2’er wilt werken of studeren in Nederland en je daarnaast wilt aantonen wat je niveau is van het Nederlands, dan kun je het Staatsexamen NT2 maken. Dit is het landelijke taalexamen voor anderstalige volwassenen die het Nederlands als tweede taal leren. Wanneer je niet alleen maar wilt verblijven in Nederland, maar je wilt ook participeren in de maatschappij en beschikken over stemrecht, dan spreken we niet meer van inburgering maar van naturalisatie (het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit). Iemand die langer dan vijf jaar in Nederland woont, kan overgaan tot naturalisatie. Het behalen van het Staatsexamen NT2 kan aan dit proces bijdragen. Veel opleidingen vragen bijvoorbeeld een diploma van het Staatsexamen als bewijs van je taalvaardigheid (indien je geen moedertaalspreker bent). Er zijn twee verschillende soorten examens die je kunt maken:

  1. Programma I is geschikt voor NT2’ers die willen werken of studeren op mbo 3 of mbo 4 niveau. Dit staat gelijk aan niveau B1 van het Europees Referentiekader.
  2. Programma II is geschikt voor NT2’ers die willen werken of studeren op hbo of universitair niveau. Dit staat gelijk aan niveau B2 van het Europees Referentiekader.

Via deze linkvind je meer informatie over het Europees referentiekader. Bekijk dit voor je begint aan de volgende opdrachten. Daarin ga je een kijkje nemen in het onderdeel lezen van het Staatsexamen NT2, om je een beeld te geven van het materiaal dat een NT2’er te zien krijgt op zijn weg in de inburgering.

Klik op deze link en download het Tekst- en opgavenboekje lezen van Programma I 2001-2002. Bekijk vraag 3 t/m 6 (tekst: De milieuwijzer).  Wat valt je op met betrekking tot het taalgebruik in de tekst en de vragen? Je antwoord mag zowel positief als negatief zijn. Houd in gedachten dat Programma I geschikt moet zijn voor iemand met B1-niveau Nederlands. Is het voor een NT2’er met B1-niveau een leesbare tekst naar jouw mening?

 

4.3: Staatsexamen getoetst
Klik op deze link en download het Tekst- en opgavenboekje lezen van Programma II 2001-2002. Bekijk vraag 4 t/m 7 (tekst: Lachen). Wanneer je deze vragen vergelijkt met de vragen die je hebt bekeken in Programma I, wat zijn dan volgens jou opvallende verschillen? Houd in gedachten dat Programma II geschikt moet zijn voor iemand met B2-niveau Nederland

4.4: Duolingo getoetst
Je hebt in de eerste opdracht van deze stap de tool Duolingo nader bekeken. Wanneer je nu kijkt naar het onderdeel Lezen van het NT2-examen in deze opdracht, zou je Duolingo dan bestempelen als een bruikbaar hulpmiddel om dit onderdeel van het NT2-examen te halen? Licht je antwoord toe.

Hulp-op-maat

Wil je meer lezen over hoe je taal kunt leren met Duolingo? Lees dan dit artikel.

In Stap 4 heb je een tool bekeken waarmee een tweedetaalleerder zijn of haar Nederlands kan verbeteren, en een toets waarmee zijn of haar Nederland getoetst kan worden. Je hebt het programma Duolingo kritisch bekeken en er je mening over gevormd. Daarnaast heb je je georiënteerd op het Staatsexamen NT2 en hier opvallendheden in benoemd. Eerder in deze module heb je kennis opgedaan over een van de factoren die kunnen bijdragen aan het succes van het leren van een tweede taal, namelijk de moedertaal. In Stap 5 ga je voor de eindopdracht verder met de invloed van deze factor bij tweedetaalverwerving.

Stap 5: De eindopdracht

NT2-docenten die Nederlandse les geven aan NT2-leerders, kunnen de app Duolingo gebruiken als extra ondersteuning bij hun lessen. Door het kritisch bekijken van Duolingo heb je kunnen zien dat Duolingo geen rekening houdt met de moedertaal van de leerders als zij het Nederlands gaan leren. In deze module heb je echter geleerd dat de moedertaal invloed kan hebben bij het leren van een tweede taal en dus een belangrijke factor is om rekening mee te houden. In dit opzicht zouden NT2-docenten Duolingo aan kunnen vullen met extra opdrachten die rekening houden met de moedertaal van de NT2-leerders in hun klas. In de eindopdracht geef je daarom een advies aan NT2-docenten om op basis van de kennis die je in deze verkenning hebt opgedaan een aanvulling te geven op de app Duolingo. Je ontwerpt hiervoor ook een opdracht over één bepaald onderdeel van de in stap 2 door jou gekozen moedertaal.

Opdrachten

5.1 Ontwerp zelf een opdracht
In stap 3 heb je gekeken naar taalkenmerken die voor negatieve transfer kunnen zorgen bij het leren van het Nederlands als tweede taal. Zo heb je gekeken naar het lidwoord in het Syrisch-Arabisch en naar werkwoordscongruentie in het Mandarijn. In stap 2 heb je zo’n kenmerk voor het Frans, Duits, Engels of Spaans bekeken (of eventueel een andere taal die je goed beheerst). Ontwerp nu een opdracht voor NT2-leerders, die extra traint de negatieve transfer te voorkomen van zo’n taalkenmerk. Je kan hiervoor het taalkenmerk nemen dat je in stap 2 hebt onderzocht. De opdracht moet tussen de 50 en 150 woorden bevatten of de NT2-leerder moet hier ongeveer 10 minuten mee bezig zijn.

Een voorbeeld van een opdracht vind je hier. In deze opdracht wordt gewerkt aan het koppelwerkwoord dat door Syrisch-Arabisch sprekenden vaak wordt weggelaten. Op Moedint2.nl zijn meer voorbeelden van opdrachten te vinden. Andere voorbeelden van oefeningen kan je vinden op de volgende websites: https://www.jufmelis.nl, https://www.taal-oefenen.nl/start en https://nt2taalmenu.nl, of kijk eens in je eigen lesboeken! Gebruik deze websites ter inspiratie, je mag er natuurlijk van afwijken.

Geef bij je opdracht ook aan voor welke moedertaalspreker de opdracht bedoeld is, wat het leerdoel is en op welk taalkenmerk jij de focus hebt gelegd.

 

5.2 Schrijf een adviestekst
Schrijf nu een korte adviestekst aan NT2-docenten die Duolingo willen gebruiken in hun lessen. Maak duidelijk waar Duolingo tekortschiet en geef aan hoe jij dat zou opvangen voor een specifieke moedertaal. Geef hierbij je opdracht uit 5.1 als voorbeeld en onderbouw waarom die opdracht geschikt is.

Je adviestekst moet ongeveer 500 woorden zijn (1 A4tje) en moet de volgende punten bevatten:

  • De rol van de moedertaal bij het leren van een tweede taal.
  • Minstens één voorbeeld van een probleem dat zich voor kan doen bij het leren van het Nederlands als tweede taal op volwassen leeftijd en de oorzaken daarvan.
  • Op welke manier de NT2-docent Duolingo aan zou kunnen vullen.
  • Jouw zelfontworpen opdracht en waarom dit de leerders met juist die specifieke moedertaal kan helpen.

Voeg je opdracht als bijlage toe aan de brief.

In deze module heb je meer geleerd over het onderwerp NT2. Je hebt enige basiskennis verkregen over de NT2-situatie in Nederland, de verschillen en overeenkomsten tussen talen en over het verschil in de taalverwerving als baby of volwassene. Ook heb je gezien hoe de moedertaal invloed heeft op het leren van een tweede taal op volwassen leeftijd. Verder heb je kritisch gekeken naar de app Duolingo en het Staatsexamen NT2. Deze kennis heb je samen kunnen brengen door het geven van een advies aan NT2-docenten. Je hebt gezien in deze module dat het verwerven van je eerste taal moeiteloos gaat, terwijl het leren van een tweede taal op volwassen leeftijd heel complex is. Zonder dat je het weet, beschik je over veel kennis over je moedertaal, die heel moeilijk te verkrijgen is wanneer je een tweede taal op volwassen leeftijd leert. Je hebt door deze module een breder perspectief op taal gekregen en op een wetenschappelijke manier leren kijken naar taal!